De wijziging van het verlaagde btw-tarief
Per 1 januari 2019 wordt het verlaagde tarief gewijzigd van thans 6% naar 9%. De wijziging heeft onmiskenbaar gevolgen voor de ondernemer voor wat betreft het verschuldigde bedrag op de btw-aangifte, maar ook voor de te voeren administratie

1. Het moment van de levering of de dienst Ondernemers moeten onderscheid maken tussen prestaties die nog in 2018 zijn verricht en prestaties die vanaf 1 januari 2019 zijn verricht. Over de vergoeding voor prestaties die op of na 1 januari 2019 zijn verricht, moet het nieuwe tarief van 9% worden toegepast. Uiteraard geldt dat uitsluitend voor prestaties waarop het verlaagde tarief van toepassing is. Door de ‘knip in de tijd’ is het van belang om bij het opmaken van de factuur vast te stellen op welk moment een prestatie plaatsvindt of zal plaatsvinden. Dit laatste komt bijvoorbeeld aan de orde als in december 2018 wordt gefactureerd voor prestaties die pas in 2019 zullen plaatsvinden. Hierna werken wij dit verder uit.
De levering van een goed vindt plaats op het moment dat er sprake is van de overgang of overdracht van de macht om als eigenaar over het goed te beschikken. Eenvoudig voorgesteld: indien u een goed vóór 1 januari 2019 overhandigt aan uw afnemer, dan is het tarief van 6% van toepassing. Indien u dit na 1 januari doet is het tarief van 9% verschuldigd.
De levering van een dienst vindt plaats op het moment dat deze is voltooid. Dit betekent dat als een reparatie van een fiets op 31 december 2018 niet kan worden afgerond en de reparatie pas op 2 januari 2019 klaar is, de volledige vergoeding voor die werkzaamheden is belast met 9%.

Beide momenten, die bepalen welk btw-tarief van toepassing is, staan in beginsel los van het moment waarop de betaling wordt ontvangen. Indien u de vergoeding voor de levering van een goed in 2018 pas in januari 2019 ontvangt, is het verlaagde tarief van 6% van toepassing omdat het moment van de levering van het goed in 2018 bepalend is voor het toepasselijke btw-tarief.

Praktisch: u moet bij de leveringen van goederen die voor 1 januari 2019 hebben plaatsgevonden, het verschuldigde btw-bedrag niet in rubriek 1b op de aangifte vermelden, want die is met ingang van 1 januari 2019 bestemd voor leveringen belast met 9%. De fiscus controleert of het btw-bedrag in overeenstemming is met het bedrag van de vermelde bijbehorende vergoeding. U zult daarom in de rubriek 1c de verschuldigde belasting van 6% moeten vermelden.

2.Vooruitbetalingen
Het ministerie van Financiën heeft gemeld, om de invoering van de wijziging ‘soepel’ te laten verlopen, geen naheffing te zullen opleggen in de situatie waar in 2018 een vooruitbetaling is gefactureerd voor een prestatie die in 2019 plaatsvindt. Indien dus bijvoorbeeld in 2018 een vergoeding wordt ontvangen voor een jaarabonnement dat als tijdvak 2018-2019 heeft, dan is over het volledige bedrage het percentage van 6% van toepassing.

3. Wat moet voor 2019 worden gedaan?
Wij raden u aan om vóór de inwerkingtreding van het nieuwe verhoogde tarief zorg te dragen voor de aanpassing van het volgende:
– kassasystemen aan (laten) te passen
– de inhoud van offertes aan te passen
– boekhoudprogramma’s aan te (laten) passen
– bij gebruik voor (deels) vrijgestelde prestaties, de inkoop reeds in 2018 te doen
– de facturen op de juiste wijze uit te reiken ter vermijding van discussie

Bron: SRA, praktijkhandreiking, 5-11-2018